Home » Blog » Waarom zijn kritische vragen in psychologenmiddens niet welkom?

25-11-2017

Recent woonde ik drie gespreksavonden bij. Eén over Artificiële Intelligentie (professor Tijl De Bie, UGent), één over de Gut-Brain Axis (professor Lukas Vanoudenhove, KU Leuven) en één over Bevlogenheid op het werk (professor Wilmar Schaufeli, KU Leuven en Universiteit Utrecht). De laatste gespreksavond is er een onder psychologen. Wilmar Schaufeli wordt binnen de arbeidspsychologie als een van de autoriteiten beschouwd inzake stress, burnout en bevlogenheid.

Het publiek reageerde echter totaal verschillend. Wetenschap is georganiseerd debat, gestimuleerde oneensheid, kritisch denken. Of zou het moeten zijn. Ik mis dit enorm binnen de psychologenwereld. Telkens ik naar een seminarie of gespreksavond bij VOCAP of dergelijke ga, valt het mij op hoe enthousiast mensen zijn over het onderwerp of de spreker en hoe hun vragen bijna steeds vragen uit (naïeve?) interesse zijn en mensen in het publiek haast nooit een kritische vraag durven stellen. Hoe anders was het op de eerste twee seminaries. Er kwamen tal van mensen die kritische vragen stelden en deze werden verwelkomd door de goegemeente én de spreker. In dit blogstukje contrasteer ik de drie seminaries.

Bij het thema AI was de spreker er niet op uit om de naïeve loftrompet te schallen over de vele deugden van AI en hoe disruptief deze wel niet zal zijn, maar liet hij zelf kritische geluiden horen en verwelkomde hij nadien kritische vragen. Zo kwamen zaken aan bod zoals (1) de decennia oude belofte van een wereld waarin machines het van de mens zouden overnemen (zulke beloftes zijn schering en inslag sedert de Dartmouth Conferentie in 1956 en reeds in 1959 leerde de eerste computer de kneepjes van het damspel); (2) het feit dat een computer leren een schaakspel of een spelletje GO te winnen toch maar een beperkt domein is en dat er nog een lange weg af te leggen is naar andere vormen van zelflering; (3) dat het menselijke brein weinig data nodig heeft om tot accurate beslissingen te komen terwijl AI juist een massa data nodig heeft en (4) dat er daarnaast ook een aantal problemen zijn die veroorzaakt worden door zelflerende neurale netwerken. Bijvoorbeeld houdt AI het risico in op privacyschendingen, ongewilde discriminatie (machines nemen de discriminatie van de mens over), risico op toenemende ongelijkheid en dus sociale onrust, verlies met de realiteit, risico op misbruik door terroristen, hacking risico’s. Om nog te zwijgen over de enorme hoeveelheid energie die nodig is om die supermachines te laten draaien en het gevaar van de black box: we weten niet meer hoe de machines beslissen.

Het leidde achteraf tot een geanimeerde interactie met het publiek, waarbij het gros van de vragen kritisch waren. Zelfs een oude zonderling die een beetje warrig verhaal opvoerde en in feite geen vragen stelde, werd getolereerd en met zeer veel respect behandeld (knap van Tijl de Bie). Zo leerden we ook bij dat de nieuwe Europese privacywetgeving (GDPR) die vanaf mei 2018 in voege komt korte metten maakt met black box algoritmes: de beslissingsalgoritmes zullen altijd door mensen moeten kunnen uitgelegd worden.

Lukas van Oudenhove (psychiater van opleiding) leidt in de KU Leuven het LaBGAS (Laboratory for Brain-Gut Axis Studies) en TARGID (Translational Research Center for GastroIntestinal Disorders). Binnen de medische wereld legt men zich blijkbaar niet neer bij het idee dat een aantal zaken niet experimenteel zou kunnen onderzocht worden. Bij het thema over de Gut-Brain Axis bleek hoe gesofistikeerd en creatief medisch onderzoek is. Bijvoorbeeld diende men IBS patiënten (IBS = irritable bowel sindrome oftewel prikkelbare darmsyndroom) en een controlegroep stresshormonen toe, en bleek men te zien dat bij mensen zonder IBS de frontale hersenlobben het hormoon trachten te dempen terwijl dit bij mannelijke (maar niet bij vrouwelijke) IBS patiënten niet het geval was en bovendien bij deze groep mannelijke IBS patiënten de dikke darm sterker samentrok. Een ander experiment bestond erin na te gaan hoe mensen met of zonder IBS pijn ervoeren. Het opblazen van een ballonnetje in bepaalde delen van de darm leidde tot waarneembaar verschillende reacties in het brein (aan de hand van fMRI beeldvorming) en hogere zelfgerapporteerde pijn. Bleek dat IBS-patiënten sneller pijn ervaren. Ik kon niet anders dan bedenken wat een groot verschil er is tussen dit type wetenschap en het typische vragenlijst onderzoek en hoofdzakelijk correlationeel onderzoek in sociale wetenschappen zoals sociologie en psychologie.

Het is voor mij duidelijk dat de medische wereld zich meer baseert op de biologische basis dan de psychologie, die nog steeds grotendeels de link met biologie links laat liggen. Dit laatste mag bijna letterlijk genomen worden, want ik ben het eens met heel wat mensen zoals Maarten Boudry die waarschuwen voor een linkse bias. Ik zie te veel ideologen binnen de psychologie die nog steeds meer verklaringen zoeken in opvoeding en omgevingsfactoren dan binnen biologie. Darwin kan zich nog eens in zijn graf omdraaien. Verschillen tussen mensen, rassen of geslachten MOETEN worden toegeschreven aan omgevingsfactoren zoals discriminatie en een objectief onderzoek naar biologische factoren stuit steevast op verontwaardiging, zelfs bedreigingen aan het adres van objectieve wetenschappers.

Ook hier ging de spreker zelf geen kritische bedenkingen uit de weg: hij duidde zelf op de hype van de microbiota, waarbij de claims in de pers en de boekpublicaties fel overtrokken beweringen zijn, die wetenschappelijk lang niet hard gemaakt zijn. Hij wees op het feit dat er nog vele jaren van onderzoek nodig zijn bij de mens, vooraleer men de impact van microbiota, transplantatie van feces en dergelijke meer correct kan inschatten. Ook hier kreeg de spreker te maken met tal van uiterst kritische vragen: bijvoorbeeld wie sponsorde het onderzoek naar probiotica? Een uiterst relevante vraag want bijvoorbeeld bij geneesmiddelenonderzoek werd aangetoond dat het grootste positieve effect van medicijnen sterke correlaties vertoont met… welk farmabedrijf het onderzoek sponsorde. De spreker gaf ootmoedig toe dat de producent van Danone één van de onderzoeken (met positieve effecten) had gesponsord. En wat met het feit dat het meeste onderzoek bij proefdieren zoals muizen en ratten gebeurde, terwijl in het verleden al veel onderzoek dat bij proefdieren positieve resultaten opleverde, bij de mens tot niets leidde? Dat zijn nog eens kritische vragen. Als vraagsteller voel je je dan ook veilig. Als ik in zulke middens een kritische vraag stel voel ik helemaal geen stress opkomen.

Hoe anders is het gesteld als ik mij in de middens van de positivo’s van de psychologie begeef. Zelden maak ik daar kritische vragen mee en ik maak er mij steevast onpopulair mee als ik die vragen wel stel (verschil 1). Deze week was het weer zover, bij een autoriteit van de arbeidspsychologie dan nog. Met een gezonde mix van nieuwsgierigheid en kritische ingesteldheid vatte ik het seminarie aan. De spreker werd ontzettend veel lof toegezwaaid door de persoon die hem introduceerde (verschil 2) en stelde zich vervolgens kort voor. De spreker verwees ook naar zijn commercieel adviesbureau Triple i, wat mij onwillekeurig deed denken aan belangenvermenging (verschil 3). Mag ik het ongemakkelijk vinden dat mensen die door belastingbetalers worden betaald om hun kennis te verwerven, deze daarnaast ook inzetten om nog flink bij te verdienen en de concurrentie aan te gaan met aanbieders die dit voordeel niet hebben? Vervolgens trapte de spreker de presentatie af door kritiekloos te refereren aan de beweging van de Positieve Psychologie (PP). Deze beweging binnen de psychologie hanteert de volgende definitie “Positieve psychologie is de wetenschappelijke studie van optimaal menselijk functioneren met als doel om de factoren te vinden en te promoten die toelaten om individuen en organisaties om te floreren” (Seligman, 1999). Op het internet kan u nog wat fluffier omschrijvingen vinden. De enige kritische noot die de spreker liet vallen ten aanzien van PP was zijn aanbeveling om ook het boek Smile or Die van Barbara Ehrenreich te lezen. Alsof er niet meer kritiek te rapen valt op Positieve Psychologie. Voor mijn op stapel staande boek doorploegde ik de literatuur en ik geef u een voorsmaakje van de problemen binnen dit ‘vakgebied’:

  • Er is geen ‘geluksformule’ zoals leadzanger Martin Seligman voorstelde. H= S + C + V of happiness (geluk) is het resultaat van ‘your Set range’ (aanleg) + Circumstances in your life (gebeurtenissen in je leven) + the factors under your Voluntary control (factoren onder uw vrijwillige controle);
  • Een andere rockster van PP, Barbara Fredrickson zag zich genoodzaakt om een paper gedeeltelijk terug te trekken waarin ze het samen met een collega had over een positivity ratio van 2.9:1 (en niet 3,1:1 zoals Schaufeli stelde als antwoord op mijn kritische vraag): elke negatieve ervaring zou moeten gecompenseerd worden door minstens 2,9 positieve ervaringen om positieve effecten te hebben op groei en weerstandsvermogen (resilience). Die ‘ontdekking’ was gebaseerd op een aanpassing van een formule uit de… vloeistoffendynamica, een sub-onderzoeksveld van de fysica. Samen met twee andere auteurs legde Alain Sokal bloot hoe Fredricson en Losada onterecht deze formule gebruikten en een letter in deze formule veranderden. Daardoor konen ze het als een psychologische formule voorstelden. Voor diegenen die Alain Sokal niet kennen: deze fysicus werd bekend omdat hij er ooit in slaagde een compleet nonsens artikel gepubliceerd te krijgen in een zogenaamd peer-reviewed tijdschrift. Deze beschamende rechtzetting weerhoudt Sonja Luybormirsky en Barbara Fredrickson er echter nog steeds niet van om nog altijd de onzin te verspreiden van hun ‘broad and build’ theorie: dat je door positief te zijn een altijd maar uitdijende positieve, opwaartse spiraal krijgt;
  • PP gaat ervan uit dat het nastreven van geluk een basisrecht is en dat iedereen zijn geluksniveau kan boosten. Tal van studies geven echter aan dat mensen al snel terugvallen naar hun oorspronkelijk basisniveau en de laatste tijd is er ook onderzoek dat laat zien dat het nastreven van geluk (omdat je er recht op hebt, omdat je moet gelukkig zijn) bij heel wat mensen juist leidt tot klinische depressie (bijvoorbeeld Ford et al., 2014);
  • Positieve emoties kunnen problematisch zijn: denk aan de maniefase binnen bipolaire stoornissen en in hypomania. Schadenfreude of het plezier bij de pech of pijn van anderen is ook niet zo netjes, net zomin als de overmatige positieve gevoelens tegenover de eigen ingroup en het totale gebrek aan empathie voor de out-group leden enz.;
  • En nee, het is niet juist dat een positieve ingesteldheid positieve effecten heeft op gezondheid of ons langer doet leven. Longitudinaal onderzoek ontbreekt bovendien;
  • Ook tal van interventies kunnen op geen genade rekenen: zo slaagde men er niet in de bevindingen van Seligman en collega’s uit 2005 te repliceren: hier werd nochtans beweerd dat twee interventies sterke langdurige effecten zouden hebben op depressie en geluk. De studie vond wel effecten, zij het zeer bescheiden (modest) van aard en niet te onderscheiden van een placebo (Seligman, Steen, Park, & Peterson, 2005 versus Mongrain & Anselmo-Mathews, 2012);
  • Recent is er ook kritiek gekomen op de vierde rockster binnen de PP-beweging: de enorm populaire Angela Lee Duckworth verspreidde de mythe van grit via commerciële boeken en een van de meeste bekeken TED-talks ooit. Tal van studies konden grit niet repliceren en een meta-analysse toonde aan dat grit in feite voornamelijk oude wijn in nieuwe zakken is. (Bazelais et al., 2016; Ivcevic & Bracket, 2014; Credé et al., 2016; Ion et al., 2017).

Een aantal aanhangers van de PP hebben ondertussen onder druk van de kritiek hun positie herzien en geven toe dat PP zich nodeloos afzette tegen wat zij jammer genoeg de Negatieve Psychologie noemden (met focus op stoornissen gekenmerkt door negatieve emoties). Ondertussen is het duidelijk geworden dat we al onze emoties nodig hebben en dat bijvoorbeeld schaamte heel nuttig is om ons terug aan te passen aan de groep wanneer we normen hebben overschreden. Balance is key stelt June Gruber terecht in een interview op edge.org. Mijn conclusie (in mijn op stapel staande boek) is alvast snoeihard: PP is een ideologie pur sang met slechte wetenschap en frauduleuze toestanden. Een een pak slimme marketing om de eigen zelfhulpboeken te verkopen. Zou het kunnen dat deze mensen uit zijn op persoonlijk gewin en status (zie verder)?

Wie nu al meer wil lezen moet maar eens het doctoraat van Bergþóra Snæbjörnsdóttir (2010) opsnorren, de blogs van James C. Coyne lezen, of zijn kritische boeken (zie in bronnen).

Maar het hield niet op. Er werd verwezen naar een zeer anekdotische studie van Danner et al. (2000) waaruit zou blijken dat nonnen die meer woorden van geluk gebruikten in hun teksten langer leefden dan nonnen die meer schreven over negatieve emoties. Geluk als oorzaak van een langer leven. Tjonge toch. Zou het enigszins kunnen dat er iets schort met de statistische power? Zou het kunnen dat het om een willekeurige correlatie gaat? Zou het kunnen dat mensen die een betere gezondheid hebben zich ook beter en dus gelukkiger voelen en langer leven door die gezondheid? Enzovoort, enzovoort.

Blijkbaar was ook een veilige hechting gelinkt aan bevlogenheid – in de toelichting zei Schaufeli dat veilige hechting op jonge leeftijd bijdraagt tot bevlogenheid op het werk later. Blijkbaar is hij ook hier niet op de hoogte van de uiterst dubieuze status van hechtingsonderzoek. Bijvoorbeeld dat onder andere McCrae en Costa (jawel, de heren van de Big Five onderzoeken en de NEO-PI-R vragenlijst) in 2011 aantoonden dat er geen correlatie was tussen hechtingsstijl op jonge leeftijd en hechtingsstijl als volwassene. Steven Pinker, John T. Bruer en Judith Rich Harris maakten allen brandhoud van het dominante verklaringsmodel voor hechting (dat het zou met de opvoedingsstijl te maken hebben). Dat was de bittere smaak die ik als kritische toehoorder kreeg: het betoog leek op rainforest empiricism: je hebt een heleboel data en gaat dan op zoek (cherry-picking) naar theorieën die passen bij je data. Men neme daarbij elk passend ingrediënt (hoe problematisch ook vanuit empirisch standpunt). Uiteraard met het oog op je eigen theorie te ondersteunen.

Het was ook niet altijd duidelijk of wat gepresenteerd werd hypotheses betrof of echt onderzoek. Zo werd bijvoorbeeld op slide 23 de link gelegd met het circumplex van emoties van Russell uit 2003, maar naar mijn weten is er geen onderzoek gedaan dat daadwerkelijk de veronderstelde verbanden laat zien – vandaar dat deze slide wellicht de vermelding draagt ‘Naar Russell (2003)’. Vervolgens werden tal van single studies getoond, waarin een handjevol namen van onderzoekers steeds weerkeren. Bevlogenheid of employee engagement zou goed zijn voor tal van zaken: lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheid, positieve attitudes op het werk, prestaties, ja zelfs omzet en winst. Fantastisch toch dat de onderzoekers naar employee engagement er in slagen financiële verbanden te vinden terwijl andere wetenschappers hun vingers daar niet willen aan verbranden wegens te moeilijk om alle beïnvloedende factoren in weging te brengen? Het doet mij denken aan de website met spurious correlations http://www.tylervigen.com/spurious-correlations. Echt, neem een kijkje en lach u een positieve kriek.

Dan stelt zich nog de ultieme vraag uiteraard: welke interventies leiden tot meer bevlogenheid? Nou moe, dan nemen we er toch weer eens de positieve psychologie erbij. De dankbaarheid en vriendelijkheid oefeningen uit de PP, Zelfdeterminatie (gebruik van competenties, hoge autonomie) en mindfulness op het werk bijvoorbeeld. Alle drie interventies hebben hun wortels in de positieve psychologie en het humanisme. En op alle drie valt – terechte – kritiek te leveren. Maar ook sociaal leiderschap, leiderschapsontwikkeling, survey feedback enz. dragen bij tot bevlogenheid. Maar weerom allen single studies. Er lijkt nog niets veranderd sinds het kritische artikel van Rob Briner (2014) dat redelijk brandhout maakte van de definitie van employee engagement en het gebrek aan degelijk empirisch onderzoek.

En het publiek? Dat slikte het. De ruimte voor vragen werd afgetrapt met een naïeve vraag die uitging van de maakbaarheid van de mens – uiteraard: ‘kan iedereen bevlogen worden?’. Natuurlijk zei de wetenschapper met het meeste publicaties over het thema op zijn palmares (toch effe lekker getoond op slide 13) hoofdzakelijk ‘ja’. Met een kloppend hart (en een hoorbaar droge mond) durfde ik het dan toch maar aan een paar kritische vragen te stellen (spoiler alert: ja ik heb daar stress van, ik ben ook maar een sociaal dier dat niet graag uit de groep wordt gegooid). Ik stelde kritische vragen over de rocksterren van de positieve psychologie, over het gebrek aan longitudinaal onderzoek, over de grotere kans op depressie bij het nastreven van geluk, over de aangetoonde terugval naar je basisniveau van geluk. Ik wou het ook hebben over de ‘olifant’ in de kamer (maar ik was misschien de enige die deze zag aan het geroezemoes te horen): mensen zijn sociale dieren die echt niet alleen streven naar verbondenheid en samenwerking (get along). Zoals alle andere sociale dieren of insecten is er ook flink wat interne competitie bij de mens. Mensen concurreren voor status, geld en macht. Ze willen vaak niet alleen de sociale ‘succes’ladder beklimmen, maar eveneens de dominantieladder (get ahead). Daar is niets hen vreemd: zelfbedrog, bedrog, impressiemanagement, derogation of competitors enz. Als verklaringsmodel voor de motieven en de motivatie van mensen schiet bijvoorbeeld ZelfDeterminatieTheorie flink te kort. Mensen streven ook naar status en succes – de ene uiteraard al meer dan de andere. Sommigen gaan daarin heel ver en ontsporen daarin, getuige het grote aantal leidinggevenden die absoluut niet aan ‘sociaal’ of authentiek leiderschap doen. Hoe blijf je bevlogen onder dergelijke leiders? Hoe overtuigen we hen om zich anders op te stellen? Maar de linkse bias om dit te ontkennen en de goegemeenschap een utopisch model van harmonie en perfect leiderschap aan doen nemen helpt geen kat vooruit. Lees het onvolprezen Leadership Bullshit van Jeffrey Pfeffer er op na en je beseft dat het nog heel wat zoden aan de dijk zal vergen vooraleer de leiders met de echte macht in organisaties ideale omgevingen zullen creëren om iedereen bevlogen te maken. En dan heb ik het nog niet over de realistische recente vaststelling dat de meeste mensen motivatie putten uit het zorgen voor hun gezin. Geld verdienen om het gezin te onderhouden? Niets mis mee. We moeten en kunnen niet allemaal gelukkig zijn op het werk en bevlogen worden. Dat werd maar heel even duidelijk toen bleek dat mensen die nog bandwerk verrichten helemaal geen bevlogenheid ervaren. De kansen op bevlogenheid lijken weggelegd voor een select groepje WEIRDo’s: Western, highly Educated, Intelligent, Rich and from Democratic countries. Die bovendien in uitdagende jobs met veel autonomie en een schitterende leidinggevende terechtkomen.

 

Het advies aan studenten (om bevlogen te worden) kon niet meer open deuren intrappen (de spelfouten zijn origineel):

“1. Neem initiatief, benut de mogelijkheden die jou studie biedt

  1. Benut zoveel mogelijk je eigen talenten en volg je dromen en passies
  2. Zorg voor een goede balans tussen studie en privé
  3. Focus niet alleen op resultaat maar ook op je persoonlijke ontwikkeling
  4. Vraag regelmatig feedback van anderen
  5. Wees optimistisch; denk in mogelijkheden in plaats van problemen
  6. Stel jezelf uitdagende, maar wel realistische doelen
  7. Help en steun anderen, wees coöperatief
  8. Zorg goed voor je lijf; bewegen, slapen en ontspannen

10.Houdt je studie uitdagend, ook voor de toekomst”

Is that all there is? Hoe doe je dit met een persoonlijkheid die eerder het glas als half leeg beschouwt?

Als het opzet een verkooppraatje was, was dit – aan de reacties te horen – zeer geslaagd (de laatste slide 44 zet de consultancy en de e-coaching tool van de spreker nog eens extra in de verf). Ik mag hopen dat de onderzoeksopzetten veel beter worden, want zoals het nu zit, is het allesbehalve overtuigend, ook al wil ik in sé graag geloven dat er heel wat ‘energiebronnen’ in de omgeving tot een positieve sfeer en zelfs resultaten kunnen leiden. Wie wil dat niet geloven of hopen? Maar dat is niet wat wetenschap moet doen. Wetenschappers moeten kritisch onderzoeken – niet proberen om hun ideologische vooringenomenheid te bewijzen. Ik blijf bijzonder skeptisch als het gaat om de ‘persoonlijke hulpbronnen’. Bij mij weten is het bijzonder moeilijk om optimisme te ontwikkelen, je interne beheersingsoriëntatie en je nauwgezetheid te ontwikkelen. De genetische component weet u wel.

Het VOCAP-bestuur toonde zich nog maar eens enthousiast over de lezing bij het bezorgen van de PDF van de presentatie. Het zal de gemeenschap van idealistische psychologen en psychologen in wording plezieren. Ook bij de Thomas Moore hogeschool moeten de toekomstige bachelors in toegepaste psychologie alvast Positieve Psychologie studeren. Het maakt het vakgebied niet wetenschappelijker. Jammer.

Hoog tijd dus voor een echt wetenschappelijke houding bij de studenten en afgestudeerde psychologen: kritische vragen zijn een must. Ga eens wat naar andere seminaries en leer hoe men daar zonder schroom de meest kritische vragen stelt.

 

 

Enkele bronnen:

Briner, B. (2014) What is employee engagement and does it matter? An evidence-based approach. http://www2.cipd.co.uk/binaries/the-future-of-engagement_2014-thought-piece-collection.pdf#page=57

Brown, N.J.L., MacDonald, D.A., Samanta, M.P., Friedman, H.L., & Coyne, J.C. (2016). More Questions than Answers: Continued Critical Reanalysis of Fredrickson et al.’s Studies of Genomics and Well- Being. PLoS One, 11(6): e0156415

Brown, N. J.L., Sokal, A. D., & Friedman, H. L. (2013). The complex dynamics of wishful thinking: The critical positivity ratio. American Psychologist, 68(9), 801-813.

Brown, N. J. L., Sokal, A. D., & Friedman, H. L. (2014). The persistence of wishful thinking: Response to “Updated thinking on Positivity Ratios”. American Psychologist, 69(6), 629-632.

Coyne of The Realm takes a Skeptical look at Positive Psychology (James C. Coyne) – e-book.

Coyne of The Realm takes a skeptical look at Mindfulness (James. C. Coyne) – e-book.

Coyne, J. C. (2016). Replication initiatives will not salvage the trustworthiness of psychology. BMC psychology, 4(1), 28.

Coyne, J. C., & Tennen, H. (2010a). Positive psychology in cancer care: Bad science, exaggerated claims, and unproven medicine. Annals of behavioral medicine, 39(1), 16-26.

Coyne, J. C., Tennen, H., & Ranchor, A. V. (2010b). Positive psychology in cancer care: A story line resistant to evidence. Annals of Behavioral Medicine, 39(1), 35-42.

Credé, M., Tynan, M. C., & Harms, P. D. (2016). Much Ado About Grit: A Meta-Analytic Synthesis of the Grit Literature. Journal of Personality and Social Psychology, No Pagination

Ford, B. Q., Shallcross, A. J., Mauss, I. B., Floerke, V. A., & Gruber, J. (2014). Desperately seeking happiness: Valuing happiness is associated with symptoms and diagnosis of depression. Journal of social and clinical psychology, 33(10), 890-905.

Snæbjörnsdóttir, B. (2010). The a priori nature of Fredrickson’s theory of emotions. Unpublished bachelor’s thesis, University of Iceland, Reykjavík. https://skemman.is/bitstream/1946/5286/1/BS.pdf

Reageer

Deel deze pagina

Zoek op de website

Nieuwsbrief

Schrijf u hier in op onze nieuwsbrief. Nooit commercieel, maar altijd informatief!

Evidence Based Partners (klik door)

ad ad ad ad ad ad ad ad ad ad ad