Home » Info » Boekbesprekingen

Onder deze rubriek vindt u een aantal nuttige boekbesprekingen!

Boekbespreking: Selected (Van Vugt & Ahuja)

Bespreking “Selected – Why some people lead, why others follow, and why it matters”

auteurs: Mark van Vugt & Anjana Ahuja.

Boekbespreking door Patrick Vermeren

Ik heb het boek met veel plezier gelezen. Het boek is een samenwerking tussen een professor sociale psychologie (Mark van Vugt) en een schrijfster (Anjana Ahuna). Daardoor zijn de teksten heel vlot (je herkent er de hand van een professionele schrijfster – Anjana) en de teneur van het verhaal is grotendeel gebaseerd op wetenschappelijke bevindingen dankzij het werk van professor Mark Van Vugt. Toch zijn er een aantal hypotheses in het boek die erg onwaarschijnlijk zijn gelet op de huidige stand van de wetenschap.

Het boek is één langgerekt betoog voor een terugkeer (!) naar een meer egalitair type leiderschap en claimt daarvoor de evolutionaire psychologie als basis te nemen.

De mismatch hypothese

Het boek legt de mismatch bloot tussen ons brein dat is geëvolueerd over miljoenen jaren en de huidige moderne, ultracomplexe samenleving. We leven of werken samen in veel grotere groepen dan dat waarvoor ons brein door evolutie is ‘gedesigned’. Ons brein heeft een capaciteit om gemiddeld actiever relaties met 149 mensen te kunnen aangaan, inclusief onze verwanten en vrienden. Dit kan men weten op basis van de correlaties tussen breinvolume (cc) van primaten en de grootte van de groep waarin zij leven. Bovendien kan ons brein niet om met de overvloed aan (digitale) informatie en is het uitermate slecht toegerust om statistische verwerking te doen van grote hoeveelheden data en cijfers.

We zijn nog maar vrij recent in onze evolutionaire geschiedenis sedentair gaan leven (ongeveer 13.000 jaar – dus sinds de landbouwsamenleving zich ontwikkelde), veel te kort voor een mensenbrein om zich door middel van natuurlijke selectie (toevallige mutaties, seksuele selectie…) te hebben kunnen aanpassen. De korte periode sinds de industriële revolutie betekent voor ons brein (niet voor andere zaken!) in een evolutionair tijdsperspectief minder dan een druppel in de oceaan…

De Environment of Evolutionary Adaptedness is de omgeving waaraan een soort zich tijdens haar evolutie heeft aangepast. Hoewel de meeste evolutionair psychologen benadrukken dat dit niet moet worden gezien als een specifieke periode (een soort heeft zich namelijk ontwikkeld sinds het bestaan van het leven), stellen de auteurs dat de grootste periode van menselijke evolutie plaatsvond in het Pleistoceen (daar valt iets voor te zeggen aangezien de hominiden zich tussen 5 en 6 miljoen jaar geleden afsplitsten van de chimpansees – dat wil zeggen uit een gemeenschappelijke voorouder ontstonden de hominiden en de chimpansees en bonobo’s). Tijdens die periode ontwikkelde leiderschap zich tot een egalitair en distributief gebeuren, want dat bood blijkbaar in de toenmalige (savanne)omgeving de beste kansen voor het overleven. Dat betekende dat leiderschap roteerde in functie van waar iemand goed in was. Een fysiek sterke leider werd bijvoorbeeld eerder gekozen in conflicten met andere groepen (in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, waren conflicten tussen kleine groepen niet zo frequent door de grote afstanden tussen de stammen). Leiders werden dus in feite bottom-up verkozen. Leiders die teveel machtsgeil waren, konden rekenen op weerstand – de zogenaamde STOP’s: Strategies to Overcome the Powerful, zoals roddels, ongehoorzaamheid, verzet, omverwerping en zelfs steniging.

“De democratische aap” versus de kleptocraat

Hoofdstukken 4 tot 6 zijn duidelijk de scharnierhoofdstukken. In hoofdstuk 4 van het boek beschrijven de auteurs hij hoe de mens in het verleden geleefd moet hebben en hoe we deze leefwijze nog steeds grotendeels terugvinden bij de nog schaarse jager-verzamelaar volkeren zoals de !Kung, de Yanomamo, de Ona en de Aborigines. De auteurs beschrijven hoe in deze kleine groepen statussymbolen geen extreme proporties aannam, omdat er nu eenmaal niet veel wereldlijke goederen in overvloed waren of zijn. Distributief leiderschap voerde de bovenhand: de beste jager leidde de jacht, de beste vechter de oorlog en de grootste kruidenkenner probeerde zieken te genezen. Genereuze leiders genieten binnen zulke culturen de meeste (sociale) status, wat hen meteen ook tot aantrekkelijke seksuele partners maakt. Dit hoofdstuk is het meest aantrekkelijk, omdat bijvoorbeeld onze geëvolueerde instincten voor generositeit, altruïsme, afkeer voor ongelijkheid worden toegelicht. Ook interessant zijn de zogenaamde STOP’s: de Strategies To Overcome the Powerful: roddelen, publieke discussies, humor en ongehoorzaamheid zijn de vier belangrijkste. Deze manier van egalitair samenleven werd volgens hen door de mens volgehouden tot de verspreiding van de landbouwsamenleving. Jammer dat de titel van het hoofdstuk kan suggereren dat we afstammen van apen, terwijl we enkel een gemeenschappelijke voorouder delen met de chimpansee.

In hoofdstuk 5 gaan de auteurs vervolgens in hoe ongeveer 13.000 jaar geleden het sedentair leven van de mens heeft geleid tot een verschuiving in de machtsverhoudingen. Het opbouwen van voedselreserves en later het kunnen verzamelen van andere wereldse goederen, zorgde ervoor dat de ongelijkheid kon toenemen. De eerste “chiefdoms” verschenen volgens de auteurs zowat 7.500 jaar geleden, later stak nepotisme de kop op, waarbij de macht overging op de kinderen (bvb. bij koningen) en omringden de chiefs zich met milities. Ook slavernij en het houden van harems behoorden tot het repertorium van de “machtsgeile kleptokraten”. De auteurs gaan tenslotte ook in op de zogenaamde STEP’s die leiders gebruiken: Strategies To Enhance Power: nepotisme, corruptie, goederen efficiënt en genereus verdelen, het gebruik van fysieke macht monopoliseren (dictators en hun milities), de politieke vijanden uitroeien, een gemeenschappelijke vijand verslaan, mensen emotioneel manipuleren, en het creëren van een ideologie.

In hoofdstuk 6 wordt dan de mismatch hypothese zoals in de vorige paragraaf uiteengezet besproken. In hoofdstuk 7 worden een aantal sterke (en juiste) conclusies getrokken. Zo moeten we succes niet toeschrijven aan moderne leiders, omdat hun impact veel kleiner is dan vroeger. Wie de boeken van Nassim Nicholas Taleb leest, zal bovendien tot de vaststelling komen dat toeval wellicht de grootste factor is in het zakenleven – maar we houden er niet van, verbandenzoekende en zekerheidszoekende dieren als we zijn…

De auteurs pleiten er verder ook voor om de groepen klein te houden, distributief en roterend leiderschap te organiseren, de loonverschillen klein te houden en vooral de excessieve lonen en bonussen aan banden te leggen, leiders van binnen de organisatie te benoemen en ook de donkere triade van leiders te vermijden of op te sporen: narcisme, psychopathologie en machiavellisme. Ten slotte pleiten ze er ook voor op te letten dat men geen leiders kiest die in een ver verleden nuttig waren in oorlogstijd: mannelijke, grote, gespierde, symmetrische en verbaal sterke leiders roepen bij ons dan wel het beeld van intelligentie en leiderschap op, maar dat ze competent zijn is verre van bewezen. Nog steeds genieten mannelijke, lange, en symmetrische politici de voorkeur bij zowel vrouwelijke als mannelijke kiezers, vooral in crisistijden. We moeten onze voorouderlijke vooroordelen en instincten opzij zetten volgens de auteurs en ervoor zorgen dat we niet door deze vooroordelen beïnvloed worden bij de selectie van leiders. Hun oplossingen? Vermelding van geslacht van sollicitatiedocumenten weg te laten, de astronomische loonpakketten te schrappen, ervoor te zorgen dat vrouwen gemakkelijker gezin en werk kunnen combineren (en wat met de mannen?) zodat ze ook topposities kunnen innemen.

Sterke punten

Het boek geeft over het algemeen goed weer hoe menselijke leiderschap is geëvolueerd. Het boek bevat heel wat wetenschappelijke weetjes en de redenering is logisch opgebouwd. Het einde is gedurfd maar in lijn met de conclusies van de meeste evolutiepsychologen: we kunnen ons maar beter klein organiseren om tot productieve samenwerking te komen.

Zwakkere punten

Ronduit storend zijn het gedweep met Freud en zijn psychoanalytisch gedachtegoed. Zo lijken de auteurs steun te geven aan het idee dat een ontbreken van een vaderfiguur een belangrijke impact heeft op leiders (zoals Barack Obama, Bill Clinton of Larry Ellison van Oracle; blz. 30 en 31). De freudiaanse theorie is zeer ondeugdelijk en ondertussen is gefalsifieerd door andere onderzoeken en theorieën. De evolutietheorie, de gedragsgenetica, neurowetenschappen… hebben elk al voldoende aangetoond dat het een grote mythe is dat de meeste van onze problemen te zoeken zijn in onze vroege jeugd. De huidige stand van de wetenschap laat zien dat erfelijkheid de grootste impact heeft op onze vijf grote persoonlijkheidstrekken (emotionele stabiliteit, mate van openheid, mate van vriendelijkheid en altruïsme, mate van extraversie en mate van consciëntieusheid) en op tal van psychiatrische aandoeningen (Bouchard & Loehlin, 2001; Kendler et al., 2009). De ernstige verwijzing naar het Oedipus complex is onbegrijpelijk (blz. 76; het Oedipus complex is de veronderstelling van Freud dat elke jongen op een bepaalde leeftijd ervan droomt om met zijn moeder seks te hebben en zijn vader te vermoorden – het was gebaseerd op één van zijn eigen dromen). Ook het feit dat een vader zou afwezig zijn gebruiken om op basis van enkele anekdotische gevallen (Obama enz.) te besluiten dat die afwezigheid van de vader heeft geleid tot een specifieke stijl van leiderschap is heel ver gezocht. Wat met al die jongens die hun vader misten en geen leiderscapaciteiten hebben? Ook antropologe Sarah Blaffer Hrdy beschrijft in haar boek hoe in tal van menselijke culturen, maar ook bij andere primaten, de broedzorg wordt gedeeld door veel mensen. Vroeger waren dat de mannen, de zussen van de moeder, de grootmoeders en grootvaders, en nu is dat vaak nog zo en hebben we bovendien kinderopvang waar vreemde mensen een deel van de ‘broedzorg’ op zich nemen. Overal ter wereld ziet men dat wanneer er veel “hulpmoeders” zijn, mannen geneigd zijn om minder zorg op zich te nemen, en in grote mate afwezig te zijn. Het is niet omdat men een paar passende voorbeelden heeft, dat de hypothese ook juist is in een grote populatie.

Een tweede storend element, dat geen genade vindt bij een grote meerderheid van onderzoekers in de vakdomeinen biologie, evolutietheorie en biologische antropologie, is dat de auteurs ‘geloven’ in groepsselectie (blz. 40). Twee biologen, met name David Sloan Wilson (een hevige verdediger) en zijn naamgenoot Edward Osborn Wilson verdedigen het bestaan van groepsselectie, zij het onder een andere naam dan het uitgangspunt dat in de jaren ’60 fel bekritiseerd werd: zij noemen het nu Multi Level Selection. Volgens deze zogenaamde hypothese is eigenlijk de eenheid van selectie het gen, maar wordt de groep zodanig belangrijk als eenheid dat ook hier selectiedruk van uitgaat. De overheersende consensus op basis van empirische bevindingen en de convergentie geeft echter aan dat selectie zich afspeelt op gen-niveau. De belangrijkste mechanismes van evolutie zijn natuurlijke selectie, seksuele selectie en verwantschapsselectie (kin selection; hoe meer ze genetisch verwant zijn met anderen, hoe meer dat organismes altruïstisch gedrag vertonen). Wat betreft natuurlijke selectie is het zo dat wanneer een mutatie in een allel een goed effect heeft in de omgeving waarin het organisme leeft, heeft dit allel een grotere kans om zich te verspreiden. Mutaties die de overlevingskansen van het organisme in zijn omgeving verminderen, hebben een grotere kans om te verdwijnen. Kleppers als Richard Dawkins en Frans De Waal maar ook Belgische professoren leggen uit waaruit de vergissing van groepsselectie en Multi Level Selection bestaat: verdedigers ervan maken de fout de ‘groep’ als replicator en als omgeving te verwarren. Wanneer een allel beter werkt in groep A dan in groep B, zal het in groep A in frequentie toenemen en niet of minder in groep B. De groepen zijn dan geen replicators – groep A beconcurreert groep B niet – maar bieden een milieu voor het allel. De auteurs verwarren ook de groep als “omgevingsfactor” met de groep als “repiclicator: zij denken dat wanneer een gedragsstrategie overleeft, zoals leiden op een egalitaire manier, dit dan te maken heeft met groepsselectie: een groep die egalitair geleid werd, had meer kansen om te overleven. Maar dit heeft niets met selectie van genen op groepsniveau te maken zoals hij en de Wilsons beweren, maar alles met de “groep als gunstig milieu”. Ik kreeg van een biologieprofessor dit hypothetisch voorbeeld van onze voorouders dat illustreert hoe verwarring tussen genselectie en groepsselectie kan ontstaan:

“allel 1= snijtanden groter maken, allel 2 = snijtanden kleiner maken; populatie X = voedsel wordt met vuur gaar gemaakt (cultuur), populatie Y = geen vuur gebruiken, dus voedsel met tanden versnijden. Allel 1 zal meer geselecteerd worden in populatie Y. Doordat onze voorouders vuur leerden gebruiken, zorgden ze voor kleinere tanden. Dat is geen groep- maar genselectie.”

Het is niet zomaar een hypothese die de auteurs doen; het is een hypothese die al vele jaren woedt en al gedurende meer dan 40 jaar werd onderzocht. In feite een grote verspilling van geld en tijd, want steeds komt op basis van harde bewijzen naar voor dat kin selection veel accurater is om testbare hypotheses te toetsen, zeker wat betreft de verklaringen voor altruïsme, sexe ratio, samenwerking (en dus ook leiderschap en volgerschap).

De auteurs speculeren echter ook volop dat tijdens het leven verworven eigenschappen kunnen worden doorgegeven aan de volgende generatie. Onderzoek bij muizen toont inderdaad aan dat bijvoorbeeld de vachtkleur via een methyliseringsproces kan veranderd worden bij nakomelingen. Wat de auteurs echter beweren is dat een heel cognitief schema kan worden overgeërfd, terwijl er zelfs nog geen sluitend bewijs is gevonden dat stress ook bij mensen kan worden overgedragen. Zij tappen uit het vaatje van operante conditionering: de mentale associatie tussen actie en resultaat zou door het proces van operante conditionering worden versterkt, en na meerdere generaties een “cognitive template” worden (blz. 164-165). De auteurs speculeren dat er een “volgersmodule” zou aanwezig zijn bij een meerderheid van de bevolking en een “leidersmodule” bij een minderheid. Dit kan eenvoudigweg niet. Genen verspreiden zich immers altijd in de hele genenpoel van de populatie. Dat één mutatie (leiden) bij een klein deel van de bevolking zou verspreid raken en een andere mutatie (volgen) bij een veel groter deel van de populatie kan niet. Evolutie zorgt ervoor dat mensen een aantal kenmerken gemeenschappelijk hebben (lichamelijke, maar ook mentale, zoals de Big Five karaktertrekken), en afwijkingen doen zich door variatie tussen de individuen voor. Zo is de gemiddelde lengte van een man in een bepaald land bijvoorbeeld 1m78, maar dat is het populatiegemiddelde. We zullen bijvoorbeeld afwijkingen vinden gaande van 1m50 tot 2m10. Een uitleg die veel nauwer aansluit voor de keuze ‘leiden of volgen’ vinden we bij de evolutionair psychologen van het eerste uur zoals Steven Pinker (How the Mind Works), David Buss en het echtpaar John Tooby and Leda Cosmides (zie bijvoorbeeld the Center for Evolutionary Psychology: http://www.psych.ucsb.edu/research/cep/). Het traag evoluerende menselijk brein heeft zich voldoende lang kunnen ontwikkelen opdat er bepaalde “modules” in het brein zijn ontstaan (overigens, de meeste modules hebben geen vaste locatie in het brein, maar zijn netwerken). Zo beschikken we over een “readiness”module voor zicht (onze visuele cortex moet enkel worden blootgesteld aan onze omgeving via onze ogen om te worden geactiveerd), een module voor taal (kinderen leren al spelenderwijs taal door interactie met andere mensen, eveneens door blootstelling dus), een “readiness”module voor angst (we krijgen sneller angst voor slangen en nooit angst voor lieflijke bloemen) enzovoort. Zo zouden we ook zogenaamde Wellfare Trade-Off Ratio’s maken in verschillende gespecialiseerde modules van ons brein. Deze WTR’s opereren op basis van zogenaamde als-dan heuristieken (snelle vuistregels, zie Gerd Gigerenzer, Peter Todd, and the ABC Group,1999 Simple Heuristics that Make Us Smart, New York, Oxford University Press). Angst en boosheid worden geproduceerd in de amygdala of amandelkernen en lijken ook WTR’s te berekenen. Zij helpen ons helpen om bliksemsnelle afwegingen te maken tussen het eigen belang en het belang van anderen. Dit werd inderdaad door een aantal elegante experimenten bevestigd. Stel bijvoorbeeld dat men je jas afneemt en in een plas gooit om er overheen te stappen, dan wordt je snel boos. Neemt men je echter je jas af om de hevig bloedende arm van een kind af te binden, dan word je niet boos. Je kunt het pas nadien uitleggen (rationaliseren), maar je beslissing was snel, heel snel. In het eerste geval berekende je WTR bliksemsnel dat het belang van de ander (droge voeten) niet opwoog tegen jouw belang (een vernielde jas); dus produceerde je boosheid. In het tweede geval kwam je al snel tot de vaststelling dat jouw vernielde jas niet opwoog (het is wel jammer) tegen het belang van dat kind; je werd niet boos…

De ervaren evolutionair psychologen zoeken het dus eerder in intrapersoonlijke verschillen (verschillen in assertiviteit, boosheid,… cf. de Big Five) en in geëvolueerde WTR’s. Zo zou een WTR “volg ik of leid ik?” kunnen gevormd zijn die ons telkens doet afwegen of we zullen volgen of leiden. Daar kunnen de individuele verschillen (intrapersoonlijk) dus een rol spelen. Dus in sommige gevallen volgen mensen, in andere situaties nemen ze de leiding. Dit is wat we ook kunnen observeren in het dagelijkse leven. Nochtans verwijzen de auteurs ook naar de speltheorie, die in andere bewoordingen ook uitgaat van een WTR en dus ons brein een berekening maakt welke gedragsstrategie de juiste is.

Naast WTR’s en individuele verschillen zijn er nog andere mechanismen waardoor mensen geneigd worden om in bepaalde situaties te volgen, zo toont het belangrijke wetenschappelijke werk van Robert Cialdini aan. Ook Cialdini gaat helemaal niet uit van de veronderstelling dat mensen kunnen opgedeeld worden in “volgers” en “leiders” zoals van Vugt en Ahuja doen in hun boek. Hij toont aan dat iedereen op een bepaald moment kan gereduceerd worden tot een haast slaafse volgers.

Tenslotte nog dit: als een select clubje mensen aanleg voor leiderschap zou hebben, dan is het onwaarschijnlijk dat er ooit distributief leiderschap zou ontstaan zijn, waarbij mensen een leiderschapsrol toebedeeld krijgen naargelang hun specialisatie of de situatie. En dat is nochtans hun belangrijkste stelling van het boek.

Gemiste kansen en convergent bewijs

De auteurs missen ook enkele kansen om hun argumenten dat distributief leiderschap beter is dan autoritair leiderschap. Ik denk bijvoorbeeld aan de onderzoeken naar de effecten van stress (bvb. de Belstress-onderzoeken van de Universiteit van Gent) en de negatieve effecten van destructief leiderschap op de gezondheid van zowel de medewerker als de organisatie (financiële gezondheid, innovatiekracht, aantrekkelijkheid als werkgever – zie de special over “Destructive Leadership” van de Leadership Quarterly, vol. 18, juni 2007). Wat wel belangrijk is, is dat er uit diverse takken van de wetenschap binnen en buiten de psychologie dus convergent bewijs wordt gevonden dat mensen het best functioneren onder relatief gelijkwaardige omstandigheden, dus participatie.

Eindverdict

De claim (blz. 20) dat Selected een brand new theory over leiderschap inhoudt is overroepen. Gedragsbiologie en biologische antropologie bestuderen al veel langer dan vandaag leiderschap bij mens en andere dieren. De geschiktheid van charismatisch, democratisch en participatief leiderschap zijn al van in de jaren ’70 gedocumenteerd. Sommige zaken die geformuleerd zijn als een hypothese zijn in feite al onderzocht en ontkracht. Toch blijft het boek meer dan de moeite waard omdat de grote verhaallijn over het gewenste leiderschap en zijn historische evolutie wel klopt. De redenering is zo opgebouwd dat ik meen dat ook een niet-psycholoog geboeid raakt en overtuigd raakt dat de manier waarop veel organisaties nu zijn georganiseerd , niet de juiste manier is. Ondanks enkele gebreken die hadden kunnen vermeden worden dus toch een echte aanrader.

Patrick Vermeren

Deel deze pagina

Zoek op de website

Nieuwsbrief

Schrijf u hier in op onze nieuwsbrief. Nooit commercieel, maar altijd informatief!

Evidence Based Partners (klik door)

ad ad ad ad ad ad ad ad ad ad ad